VeineMAGAZINE 11
IK ZIE NATUURLIJK IN MIJN PRAKTIJK ALTIJD KINDEREN MET EEN BEPERKING, MAAR NEGEN VAN DE TIEN KEER KOMEN ZIJ NIET ALLEEN. In de beginjaren zijn vaak vader en moeder erbij, later een van de twee en weer later soms een broer of zus. Natuurlijk zie ik ook dat de problemen in deze gezinnen zich niet beperken tot de problemen van het kind met een beperking in kwestie. Ouders krijgen vaak te maken met problemen onderling als er situaties komen waarin zij beiden niet op een lijn zitten. Denk aan logeren of uithuisplaatsing. Vaak komt dan pas aan het licht dat ze al jaren langs elkaar heen leven en komen zij tot de conclusie dat zij uit elkaar gegroeid zijn. Natuurlijk gebeurt dit in ‘gewone’ gezinnen ook, maar de ‘zware’ zorg voor een kind met een beperking vergt nog meer van partners. En dan zijn er de kinderen. Soms zie je van jongs af aan al bij broers en zussen die meekomen opvallend gedrag. Juist heel stil of continue de aandacht trekkend. Ik geef wel advies als ik merk dat er binnen een gezin dit soort problemen spelen. Bij sommige revalidatiecentra bestaan broertjes & zusjesgroepen. Het is fijn als kinderen onderling bij elkaar herkennen en erkennen. Dit gebeurt ook vaak tijdens vakanties, speciaal bij gezinnen met een kind met een beperking. De broers en zussen gaan dan vaak op een ongedwongen manier met elkaar om. Zowel het tekort aan aandacht of het zich zorgen maken kan nogal eens problemen opleveren bij broers en zussen. Ouders hebben nou eenmaal vaak minder aandacht voor het kind zonder beperking. Maar de gedachte dat zij (later) voor hun beperkte broer of zus moeten zorgen, levert ook stressgevoelens op. Als reactie kunnen zij heel somber worden of heel zwaardenkend. Ze voelen zich vooral heel verantwoordelijk. Ook zijn zij vaak bang dat er iets met hun broer of zus kan gebeuren en denken daarbij ook aan het feit dat zij hem of haar zelfs wel zouden kunnen verliezen. Ik denk dat het heel belangrijk is dat broers en zussen betrokken worden bij het denken over ‘later’. Ouders kunnen vaak niet overzien hoe dit ‘later’ eruit ziet en je hoort ook wel dat zij hopen dat hun beperkte kind eerder zal overlijden dan zijzelf. Dit komt niet alleen voort uit de gedachte dat zij het zelf niet meer aankunnen, maar ook omdat zij anderen deze constante zorg niet wíllen aandoen, ook niet als dit een broer of zus van het kind is. Zij hebben hier niet voor gekozen, is dan de gedachte. De pubertijd is voor elk kind en zijn of haar omgeving vaak de lastigste periode. Het is heel verschillend hoe pubers met een broer of zus met een beperking reageren, maar daarin wijken ze niet af van pubers in een gezin zonder kind met beperking. Soms zie ik normaal pubergedrag waarbij een puber zich richt tegen alles en iedereen in de omgeving; in dit geval tegen het beperkte broertje of zusje. Dit kan dan ook weer leiden tot problemen bij de ouders. Zij geven vaak aan dat zij veel tolereren maar ‘dit mag je echt niet bij je broer of zus doen’. Maar ik zie ook heel mooi gedrag. Jongeren die in plaats van de ouders meekomen naar mij met hun broer of zus en een later een medisch beroep kiezen omdat zij zo geïnteresseerd zijn geraakt. Zij zetten zich in als vrijwilliger bij bijvoorbeeld het sporten. Zo werkt het ook verrijkend! Als je echter denkt dat het niet goed gaat met je puber, als je boosheid en angst herkent, dan moet je eigenlijk verder om te onderzoeken waar de problemen vandaan komen. Hoort dit gedrag bij een normale puber of speelt het probleem van de beperkte broer of zus hierin een rol. Dan adviseer ik wel om hulp te zoeken; een psycholoog kan dergelijke problemen aanpakken. • COLUMN HET GEZIN S A N D R A T I T U L A E R - k i n d e r r e v a li d a t i e a r t s 83
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy NDU3OTky