VeineMAGAZINE 12
gekoppeld een ontwikkelingsleeftijd. Een ouder die hoort dat de ontwikkelingsleeftijd van zijn of haar kind bijvoorbeeld rond de drie maanden is, zal zich aanpassen als het gaat om communicatie. De veronderstelling dat je kind dus minder begrijpt en het feit dat jouw kind niet zichtbaar reageert, maakt dat veel ouders stoppen met praten. Je ‘vergeet’ dit kind te vertellen dat er een koe staat in de wei, dat die koe boe zegt en dat we de melk drinken die de koe geeft. Je stopt dus met het geven van input, omdat dit simpelweg zinloos lijkt. Je kind begrijpt je immers toch niet. “Het niet kunnen praten of belemmeringen in de communicatie heeft als boemerangeffect dat het ook aangepast en ondersteunend taal- en spraakaanbod van de omgeving reduceert. In principe zijn kinderen en jongeren met CMB daardoor dubbel benadeeld. Zo weten we uit onderzoek dat een zich normaal ontwikkelend kind gemiddeld 4380 uur aan taal- en spraakvoorbeelden krijgt voordat de eigen taal- en spraakproductie op gang komt. Bij kinderen die een vorm van ondersteunde communicatie (OC) nodig hebben, verloopt dat anders en vele malen trager. Uit de voorbeelden van kinderen die OC (leren) gebruiken weten we dat er meestal niet meer dan gemiddeld een of twee uur per week (tijdens therapie) intensief gewerkt wordt aan woordenschat en adviezen voor spraak- en taalaanbod. Een kind dat alleen hierop is aangewezen zou dan maar liefst 8o jaar (!) nodig hebben om dezelfde hoeveelheid voorbeelden te vergaren die een kind met een normale spraak- en taalontwikkeling ontvangt in de voortalige fase.” Helaas betreft dit het overgrote deel van kinderen die zijn aangewezen op OC. Hans van Balkom: “Het is dus heel belangrijk dat de OC-hulpmiddelen intensief en veel vaker gebruikt worden door met name het sociale netwerk, vooral ouders en andere gezins- en familieleden, begeleiders, leerkrachten en behandelaars. Ondersteund communiceren geldt niet alleen voor de persoon met CMB, maar vooral ook voor de omgeving. > “Probleemgedrag van kinderen die niet of nauwelijks spreken, moet je zien als een communicatieve uiting van die persoon. Dat is blijkbaar de enige manier waarop ze kunnen aangeven dat er iets aan de hand is, dat ze pijn hebben, dat er emotioneel iets met hen aan de hand is of dat er iets onverwachts in de omgeving gebeurt. Het is dan telkens een uitdaging aan ons, aan de omgeving, om te achterhalen wat er aan de hand is.” 35 DOSSIER
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy NDU3OTky