VeineMAGAZINE 18
nog anderen om hem of haar heen ervaren, want die worden ook nog gezien en gehoord tijdens het eten." Als een kind eten naar binnen schrokt, kan dit betekenen dat het eetmoment als bedreigend ervaren wordt. Daardoor wil het hier zo snel mogelijk vanaf en daarom propt het al het eten zo snel mogelijk naar binnen. Daardoor kan hij of zij zich weer verslikken, dit wordt weer als bedreigend ervaren waardoor er een extra negatieve prikkel komt. Een uiting hierop kan zijn dat de persoon in kwestie als hij aan tafel moet, al het voedsel ervan afgooit om de bedreigende situatie te voorkomen. Je moet dan eigenlijk niet het eten zelf zien als reden hiervoor, maar alles wat erbij komt kijken. Dit is te veel voor dat moment. Ad: “Het is de taak van begeleiders om het leven van iemand zo in te richten dat deze persoon het allemaal kan bevatten en ermee kan handelen. Echter, de beste structuur kenmerkt zich door geplande variatie. Als je alles vastzet, maak je het ook weer lastig voor iemand, want als er dan ook maar íets verandert, valt alles in elkaar.” TOT SLOT Gerieke geeft vaak als tip om te kijken wat het achter het gedrag zit en vooral daarop in te spelen. Dus in een douchesituatie waarin een kind aan haren trekt, is het goed om te kijken naar de functie van het gedrag: gaat het te snel? Is het kind de controle kwijt? Is het contact niet goed afgestemd? Zijn de prikkels te veel? In de begeleiding op dat moment helpt het vaak om de aandacht van het kind op iets anders te richten; op wat je wél wilt dat het kind doet. ”Laat iemand de doucheslang vasthouden als hij of zij tijdens de verzorging steeds aan jouw haar trekt. Geef die handen een andere functie. Ik hoor ook wel eens; ‘gewoon hetzelfde terugdoen!’ Dat zou ik nooit adviseren. Ik vind het niet ethisch, het is niet iemands bedoeling om pijn te doen. Het kan ook zijn dat ze de reactie leuk vinden of ze krijgen aandacht die volgt op het harentrekken. Eigenlijk zou het beste zijn om niet te reageren op het gedrag zelf, maar juist op wat je wel wilt wat het kind doet. Als je benoemt wat je niet wilt en daarop reageert, zie je vaak dat het ongewenste gedrag juist toeneemt. Als ik bijvoorbeeld tegen jou zeg; denk niet aan een roze olifant,… waar denk je aan? Juist…, aan een roze olifant. Wat de kunst in de begeleiding is, is de aandacht te richten op wat je wel van het kind verwacht. Dus niet; niet je beker op de grond gooien. Maar zeg juist; zet je beker maar op de tafel, zodat het kind met de ongewenste handeling stopt.” Ad wil ouders meegeven dat ze zich vooral niet schuldig moeten voelen. “Probeer steeds opnieuw na te denken over wat de betekenis is van ingewikkeld gedrag. Doe dat met een open mind en durf jezelf kwetsbaar op te stellen. Bedenk daarbij dat je zelf misschien in een leerproces bent terechtgekomen dat de verkeerde kant opgaat.” Gerieke laat ouders en begeleiders vaak de driehoek zien: “Als begeleider ben je samen met het kind bezig met een activiteit. Die relatie is belangrijk. Tijdens het doen van de activiteit ben je bezig met relatie-opbouw. De activiteit is richtinggevend. Je bent samen in contact en bezig met een activiteit; douchen, eten, spelen enzovoort. Als je agressie ziet als puur agressie, zonder de betekenis ervan te begrijpen, dan worden de punten van de driehoek anders ingevuld. Dan is het kind de agressor, de begeleider of ouder de bewaker en dan ontstaat een conflict. Voor je het weet zit je in actie-reactiepatronen die je zelf niet wilt. De focus ligt dan niet meer op de relatie en de activiteit! Het is de rol van ouders en begeleiders om tegemoet te komen aan de behoeften van het kind. En bij probleemgedrag te kijken naar de ondersteuningsvraag die achter dit gedrag ligt." • 43 VEINE 42 DOSSIER DOSSIER
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy NDU3OTky