VeineMAGAZINE 21
Daaromheen zit een iets grotere cirkel; de roze. Daarin horen alle mensen die je verder nog kent. In de rode cirkel dus de mensen die je heel goed kent, in de roze de rest van de bekenden. In de grote, blauwe cirkel daaromheen zitten mensen die je niet kent. Daarna koppelen we aan die cirkels gedragingen. We leren ze wat je mag doen met de mensen in de rode cirkel en wat je mag doen met mensen in de roze en blauwe cirkel en, ook heel belangrijk, wat zij mogen doen doen bij en met jou. In de cirkels plakken we picto’s om zo duidelijk te maken wat normaal is om te doen of juist niet te doen met of bij de personen in die cirkel. Een kind van negen jaar gaat niet bij iedereen op schoot zitten. Dat doe je dan bijvoorbeeld alleen met mensen in de rode cirkel, bij mensen in de roze cirkel ga je bijvoorbeeld naast elkaar zitten.” VOOR WIE IS DE METHODE GESCHIKT? Er is natuurlijk een heel scala aan beperkingen. Voor kinderen die een heel laag ontwikkelingsniveau hebben, kunnen Nynke en Wolanda heel moeilijk de cirkels aanleren, maar eigenlijk zouden ze het wel willen, want ook zij zijn kwetsbaar voor mensen met verkeerde intenties. Voor de nu bedachte methode moet je een ontwikkelingsleeftijd van drie tot vier jaar hebben om het idee te snappen. Nynke vervolgt vastberaden: “Andersom adviseren we begeleiders en verzorgers wel om kinderen zoveel mogelijk een stem te geven als het gaat om wat er met hun lijf gebeurt. Dus kondig het aan door te benoemen wat er gaat gebeuren. Bijvoorbeeld: ik ga je verschonen en moet daarvoor je broek losmaken, vind je dat goed? Dan zullen kinderen het gevoel krijgen van: hé, ik heb hier iets over te zeggen en ondergaan zij niet als een pop alles maar wat er met hen gebeurt. De ervaring met emb’ers is ook wel dat je alles moet vertellen wat je doet, want uiteindelijk weet je nooit wat er wel en niet bij hen binnenkomt.” • Wolanda Werkman 77 EXTRA
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy NDU3OTky