VeineMAGAZINE 18
Er zijn een paar syndromen waarbij dat vaak optreedt. De reactie daarop van ouders en begeleiders is heel belangrijk om dit ongewenste gedrag aan te passen. Ook bij een kind met ernstige beperkingen zie je dit. De beperkingen kunnen niet worden weggenomen, maar de ongewenste gedragsuitingen kun je wel meer leefbaar maken. Als dit niet lukt, zie je de gedragsproblemen alleen maar groter en groter worden.” Gerieke van Kruijl merkt op dat agressie eigenlijk niet het goede woord is. - We hadden dit dossier ander moeten noemen! - “Want”, legt Gerieke uit: “als je dit gedrag zo benoemt, zie je het kind als agressor en word jij de bewaker in plaats van de begeleider van die persoon. Iemand heeft een hulpvraag als hij of zij zich zo gedraagt.” Gerieke kijkt altijd naar de betekenis van het gedrag, want gedrag heeft een functie. Iemand gaat niet ‘zomaar’ slaan, bijten of schoppen. Er zit altijd een vraag achter en de kunst van de ouder of begeleider moet zijn om deze vraag te begrijpen. Zeker bij mensen met ernstig verstandelijke beperkingen moet je heel goed kijken en is het soms een puzzel omdat één type gedrag soms meerdere betekenissen kan hebben. Ad vult aan: “Ik gebruik het liefst de term ingewikkeld gedrag. Een ander woord voor ingewikkeld gedrag is ook wel onverstaanbaar gedrag. Ik vind dit geen goede term, want elk gedrag is wel op een of andere manier begrijpelijk/verstaanbaar.” DE ONTWIKKELING VAN EEN KIND Ad komt in zijn werk veelvuldig tegen dat mensen zichzelf verwonden, zichzelf soms letterlijk het licht uit hun ogen slaan. Dat heeft heel veel te maken met de ontwikkelingsleeftijd en dan met name met de emotionele ontwikkelingsleeftijd. Ad legt uit dat als een kind geboren wordt dit eigenlijk gaat in een symbiose met de ouder. De ouders zorgen voor de emotionele en fysieke balans van het kind, waarbij het kind nog helemaal afhankelijk is van de ouder. In eerste instantie houdt (vaak) de moeder het kind in balans. Als de baby aangeeft dat het honger heeft, krijgt het eten. De relatie is dus fysiek en emotioneel. ‘Als het met het kind goed gaat, gaat het met de ouders ook goed’, wordt vaak gezegd. Ad draait deze uitspraak heel graag om! Tussen zeven maanden en anderhalf jaar ontwikkelt de motoriek van een kind zich stevig. Hij of zij leert omrollen en leert dat motivatie de wens om om te rollen tot resultaat leidt. Daarna leert een kind kruipen, opstaan en lopen. Het kind reguleert de eigen veiligheid door wel graag bij de ouder in de buurt te zijn. Diens nabijheid betekent veiligheid en daarmee komt ook het hechtingsproces op gang. Het wordt zich sterker bewust van ‘ik ben oké, jij bent oké’. Dit gevoel van veiligheid vormt sterk de basis voor verdere exploratie in de omgeving. Spelende kinderen zijn in aanvang dus altijd in de nabije omgeving van de ouder en de afstand tussen kind en ouder wordt groter naarmate het kind zich veilig blijft voelen. De objectpermanentie ontwikkelt zich. Dit is een cognitieve functie in de hersenen. ‘Ik weet dat je er bent, maar ik hoef je daarvoor niet te zien’. Als dit eenmaal gevestigd is in de hersenen, ontwikkelt zich de gelegenheid nog verder weg te gaan, want het kind blijft zich veilig voelen. Als een kind ongeveer twee is, gaat het zich actief verzetten tegen de wil van de volwassene. Feitelijk is dit oefenen van de eigen wil ten opzichte van de wil van de ander. Het kind wordt al iets autonomer. Als je dit bekijkt in het kader van onthechting, is het essentieel hoe ouders hiermee omgaan. Als het kind beseft dat de basis goed blijft, ook al heeft het een andere mening dan de ander en heeft het bijvoorbeeld gegild, gejankt en gestampt, blijft het kind vertrouwen in die ander houden, maar ook in zichzelf. De volgende stap is het thema: wat mag wel en wat mag niet. Het kind is dan ongeveer drie jaar en de gewetensontwikkeling begint vorm te krijgen. Vragen over regels, waarden en normen en hoe het kind hiermee omgaat komen aan de orde. Als kinderen een beperking hebben, is er een ander plafond in voorgaande ontwikkelingsstappen. Voor veel kinderen stopt de ontwikkeling in de ‘ik wil niet’-fase. De cognitieve, emotionele en fysieke leeftijd lopen niet meer parallel. Als dit niet goed begrepen wordt door de omgeving, ontstaat er onbegrip > Gerieke van Kruijl werkt als orthopedagoog bij de ASVZ en bij Halte Zomervilla veelal met emb-jongeren en emb-volwassenen. Ze ondersteunt begeleiders in diverse teams die de opvang voor wonen en logeren verzorgen. Daarbij krijgt zij veelvuldig vragen over ‘agressief’ of ‘ingewikkeld gedrag’. Ad Peelen heeft als orthopedagoog en GZ-psycholoog een eigen praktijk in Culemborg. Hij is tevens verbonden aan Sherpa, geeft regelmatig les en wordt door het hele land gevraagd om mee te kijken als ingewikkeld gedrag niet een-twee-drie op te lossen is. "Iemand gaat niet ‘zomaar’ slaan, bijten of schoppen. Er zit altijd een vraag achter en de kunst van de ouder of begeleider moet zijn om deze vraag te begrijpen. Zeker bij mensen met ernstig verstandelijke beperkingen moet je heel goed kijken en is het soms een puzzel." 36 37 VEINE DOSSIER DOSSIER
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy NDU3OTky